ɑbˈdɛi, /ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
HerkomstLeenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘klooster’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- klooster met aan de leiding een abt of abdis
“De dag daarop waren we aanwezig bij haar kroning en zagen we haar de abdij binnenschrijden over de purperen loper, die voor haar was uitgelegd.”
“Hij bestuurde het bisdom van Straatsburg, het rijkste van Frankrijk; hij was een kerkvorst, landgraaf van de Elzas, abt van de grote abdij van Saint-Vaast et Chaise-Dieu, provisor van de Sorbonne, gro”
Vormenabdijen(plural) · abdijtje(diminutive, singular) · abdijtjes(diminutive, plural)