ˈaɣat
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kwartsgesteente’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- neutereen doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts en een subvariëteit van chalcedoon
“De binnenzijde van een geode bestaat vaak uit agaat.”
- masculineeen stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit 1
“Zij droeg een halsketting met prachtige agaten.”
Vormenagaten(singular) · agaatje(diminutive, second-person) · agaatjes(diminutive, singular)
Bron: Wiktionary