aˈɣɛnt, ˈedʒənt
- persoon die namens de politie belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
“De agent deelde een bekeuring uit aan de wildplassers.”
“Ik kon niet horen wat hij zei tegen de agent die hem vanuit Quicks gang belde om hem te vertellen wat er was gebeurd.”
“Hierna wendde hij zich tot de agent, die het hele gebeuren had opgeschreven zonder één keer van zijn gehavende typemachine op te kijken.”
- vertegenwoordiger van een bedrijf
“Hij ging naar de agent die zijn bankzaken regelde.”
- softwareprogramma dat zelfstandig namens een gebruiker kan optreden
- eenheid in sociaal model die andere eenheden beïnvloedt
Formsagenten(plural) · agentje(diminutive, singular) · agentjes(diminutive, plural) · agents(plural)