ˈɑkər
HerkomstIn de betekenis van ‘stuk bouwland’ voor het eerst aangetroffen in 821
- afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worden met een gewas
“Op de Groningse akkers worden veel suikerbieten verbouwd.”
“We lopen al lang niet meer over een pad, maar dwars over een akker heen, de ruïne steeds verder achter ons latend.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
- form-ofgebiedende wijs van akkeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
Vormenakkers(plural) · akkertje(diminutive, singular) · akkertjes(diminutive, plural)