/alɑrṃ/
HerkomstVia Frans alarme, te herleiden tot Italiaans all'arma, "te wapen" (< Latijn arma. In de betekenis van ‘noodsein, onrust’ voor het eerst aangetroffen in 1488
- een waarschuwing tegen gevaar
- alarminstallatie
“Het alarm van de winkel ging af.”
“Ze was niet eens tot de uitgang gekomen, waar ongetwijfeld het alarm zou zijn afgegaan.”
- wekker
“Zonder verder na te denken, grijp ik de afstandsbediening van het alarm van mijn nachtkastje en druk de rode knop in.”
Vormenalarmen(plural) · alarmpje(diminutive, singular) · alarmpjes(diminutive, plural)