//ˈaː.liˌbi/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘het aanwezig-zijn elders’ voor het eerst aangetroffen in 1510
- het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad, waardoor men uitgesloten kan worden van beschuldiging
“Aan zijn alibi kan niet getornd worden.”
- smoesje
“Het ding fungeerde namelijk als alibi.”
Vormenalibi's(plural)