aˈpɑrt
OriginLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afgescheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1498
- op zichzelf, afzonderlijk van het andere, afgezonderd, gescheiden, afzonderlijk
“Er is een apart WikiWoordenboek voor vele talen, maar zij zijn alle aan elkaar verbonden door interwikilinks.”
“Het draagt allemaal bij aan de herleving van een roemruchte periode. Daar hoort ook de aparte expositie van fotograaf Rudy Leukfeldt bij, Blues from Heaven. Heel bijzonder hoe hij Muskee heeft vereeuw”
- bijzonder, opmerkelijk, oorspronkelijk, origineel, exclusief, speciaal
“Wat een apart jasje heb je aan!”
“Niet de meest besproken vertalingen van het afgelopen jaar, wel vijf ‘aparte’ boeken, aldus de jury. Die één ding gemeen hebben: je zou ‘enorm veel missen als je ze in de originele taal zou lezen, in ”
- buitenissig, excentriek, vreemd, raar, gestoord
“Hij blijft een heel aparte man.”
Formsaparter(uninflected, comparative) · apartst(uninflected, superlative) · aparte(inflected, positive) · apartere(inflected, comparative) · apartste(inflected, superlative) · aparts(partitive, positive) · aparters(partitive, comparative)