HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘duidelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1401
- voor iedereen duidelijk, onmiskenbaar
“Hij vertelt aperte leugens.”
“Dat is apert onjuist, zo leert ons de geschiedenis.”
Vormenaperter(uninflected, comparative) · apertst(uninflected, superlative) · aperte(inflected, positive) · apertere(inflected, comparative) · apertste(inflected, superlative) · aperts(partitive, positive) · aperters(partitive, comparative)