/ɑˈprɪl/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vierde maand’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- vierde maand van het jaar
“In april is het weer sterk wisselend.”
“Besteed de daaropvolgende drie maanden aan het aanschaffen van je nieuwe uitrusting en de laatste drie om te trainen, zodat je ergens in april aan de Mexicaanse grens in Campo kunt staan.”
“Het Werelderfgoedcentrum waar twee jaar aan is gebouwd, gaat op 26 april open.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aprillen
- form-ofgebiedende wijs van aprillen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aprillen
Vormenaprillen(plural) · (aprilletje)(diminutive, singular)