/baːrt/
OriginIn de betekenis van ‘haar op kin en wangen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- typisch mannelijke gezichtsbeharing op en rond de kin
“Het wordt gezien als hét kenmerk van de echte man: de baard.”
“' Hij wierp een onzekere blik op Irads baard, daarna op diens warrige haardos en de oude jas en trok een moeilijk gezicht. 'Of een biertje? Of doen we daar niet meer aan?' Na al die jaren ging het er ”
“Eén jongen die me direct opviel door zijn gigantische rode baard vertelde me dat hij een houthakker uit Tennessee was.”
- op een baard lijkend harig uitgroeisel bij diverse organismen
- uitgesneden paneel onder aan de voorzijde van een molenkap
- sleutelblad, het uitstekende onderdeel aan de stang van een sleutel
- de scherpe kant van een bijl, mes. e.d.
Formsbaarden(plural) · baardje(diminutive, singular) · baardjes(diminutive, plural)