ˈbadə(n)
- unergativeeen bad nemen
“Hij baadt in de Dode Zee ter behandeling van zijn huidaandoening.”
“Ik hoopte stiekem een beer te kunnen zien baden in de rivier, maar was ook wel tevreden met alle herten, eekhoorns, marmotten, vogels en de Amerikaanse adelaar.”
- figurativelyop een aangename manier omgeven zijn door iets
- transitivein bad doen
“Hij baadde de kinderen iedere avond voor het slapen gaan.”
- form-ofmeervoud verleden tijd van bidden
“Wij baden.”
“Jullie baden.”
“Zij baden.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord bad
Vormenbaadde(past) · gebaad(past, participle) · te baden(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen baden(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen baden(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gebaad(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gebaad(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gebaad zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gebaad te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · badend(imperfect, participle) · ev.
baad(imperative) · bade(subjunctive) · baad(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · baadt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · baadt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · baadde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · baadde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · baadde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · baadden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · baadden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)