HerkomstIn de betekenis van ‘walgen’ voor het eerst aangetroffen in 1970
- unergativegevoelens van groot ongenoegen koesteren
“Hij baalde enorm toen hij dat hoorde.”
“Ik baalde ervan dat de pas nog zo ver weg lag, maar voelde tegelijkertijd ook opluchting toen ik in de verte drie gekleurde stipjes zag.”
“Wanneer ik zeg dat ze mij nog niet hebben gebeld, kan ze haar teleurstelling nauwelijks verbergen. Daar belde ze natuurlijk voor, om samen te balen dat de rol aan onze neus voorbijging.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord baal
Vormenbaalde(past) · gebaald(past, participle) · te balen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen balen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen balen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gebaald(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gebaald(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gebaald zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gebaald te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · balend(imperfect, participle) · ev.
baal(imperative) · bale(subjunctive) · baal(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · baalt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · baalt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · baalde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · baalde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · baalde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · baalden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · baalden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)