ˈbɑɲo
HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899
- snaarinstrument met een ronde klankkast dat bij tokkelen korte, harde klanken geeft
“In 1948 hoorde Bert Methöfer, die banjo speelde, van een vriend in Rotterdam dat uit een school in de Tidemanstraat op bepaalde avonden jazzmuziek schalde. Methöfer stapte er naar binnen, maakte kenni”
Vormenbanjo's(plural)