bɑrst
- breuklijn in een breekbaar voorwerp
“Er zit een barst in de voorruit.”
- form-ofonverbogen vorm van de overtreffende trap van bar
- form-ofonverbogen vorm van de overtreffende trap van bars
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van barsten
- form-ofgebiedende wijs van barsten
“Zijn gezicht verraadt een onkinderlijke ernst, maar af en toe barst zijn ware leeftijd naar buiten: zoals hij angstig kan kijken, zoals hij kan huilen of ongeremd zijn mond kan opensperren in een dave”
Vormenbarsten(plural) · barstje(diminutive, singular) · barstjes(diminutive, plural)