HerkomstIn de betekenis van ‘voordeel brengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
- helpen, van nut zijn
“Wat hij ook probeerde, het baatte allemaal niet.”
“De chirurg heeft erg zijn best gedaan, maar helaas het mocht niet baten, oma is toch overleden.”
“Vaak genoeg mocht dit niet baten en keerde hij even later op zijn verkleumde schreden terug naar Le Souterrain waar hij de uren aftelde totdat Zaynab klaar was.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord baat
Vormenbaatte(past) · gebaat(past, participle) · te baten(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen baten(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen baten(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gebaat(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gebaat(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gebaat zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gebaat te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · batend(imperfect, participle) · ev.
baat(imperative) · bate(subjunctive) · baat(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · baat(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · baat(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · baatte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · baatte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · baatte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · baatten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · baatten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)