/beːst/
Originvia Middelnederlands beeste en Oudfrans beste van Latijn bestia, in de betekenis van ‘dier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253
- dier, met de nadruk op het aardse, niet-menselijke aspect
“In het verrotte vlees krioelde het van de beestjes.”
“Plotseling verstijfde ik. Midden op het pad lag een reusachtige ratelslang te zonnen, de koningin van de woestijn. Ik schrok me kapot en sprong meteen achteruit. Wat een beest!”
“In die reservaten is er voldoende voedsel voor die beesten.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van beesten
- form-ofgebiedende wijs van beesten
Formsbeesten(plural) · beestje(diminutive, singular) · beestjes(diminutive, plural)