/bəˈχɪn/
- het eerste deel, het op gang komen
“In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.”
“In het begin was ze verlegen maar toen ze zich eenmaal thuis voelde werd ze brutaal.”
“Helemaal alleen zijn was in het begin erg wennen.”
- de oudste plekken in een oudlandpolder van waaruit het inpolderingsproces begonnen is
“Als de polder niet herverkaveld is zijn de beginnen vaak nog in het landschap te herkennen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beginnen
- form-ofgebiedende wijs van beginnen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beginnen
“Begin je?”
“Een leraar van de gemengde school, ja nu begin ik een probleem te vermoeden.”
Formsbeginnen [2](plural) · beginnetje(diminutive, singular) · beginnetjes(diminutive, plural)