ˈbekər
OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘drinkgereedschap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284
- een cilindervormig voorwerp waaruit gedronken kan worden, mok
“De jongen hield de beker met twee handen vast.”
“Vul elkanders bekers, maar drink niet uit dezelfde beker.”
“Hij deelde dan zijn befaamde root-beer-float Trail Magic uit: een wonderlijk Amerikaans gerecht dat bestond uit een bolletje vanille-ijs in een plastic bekertje met root-beer (een soort ginger ale).”
- trofee
“De winnaars toonden de beker aan het publiek.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekeren
- form-ofgebiedende wijs van bekeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekeren
- sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem (tussen rechte klimming 10ᵘ48ᵐ en 11ᵘ54ᵐ en tussen declinatie −25° en −6°)
Formsbekers(plural) · bekertje(diminutive, singular) · bekertjes(diminutive, plural)
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0