/ˈbɛn.də/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘troep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1525
- een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
“De bende van Nijvel was berucht voor haar geweld.”
- een rommelige toestand bijv. een beestenbende of een teringbende, rotzooi
“Oei, wat een riekende bende is het hier!”
“Wat een onvoorstelbare bende.”
- informalgrote hoeveelheid
“wat een bende knikkers heb jij, zeg”
Vormenbendes, benden(plural) · bendetje(diminutive, singular) · bendetjes(diminutive, plural)