ˈberə(n), bəˈrɛn
- unergativeschreeuwen
- unergativeschulden maken
- transitivebemesten
- geslachtsgemeenschap hebben
- Early-Modern-Dutch, transitiveslaan
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berennen
- form-ofgebiedende wijs van berennen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berennen
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord beer
- een familie Ursidae van roofdieren (Carnivora). Beren maken deel uit van de Caniformia, waartoe onder andere ook de hondachtigen worden gerekend. De familie telt acht moderne soorten, verdeeld over vijf geslachten.
Vormenbeerde(past) · gebeerd(past, participle) · te beren(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen beren(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen beren(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gebeerd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gebeerd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gebeerd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gebeerd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · berend(imperfect, participle) · ev.
beer(imperative) · bere(subjunctive) · beer(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · beert(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · beert(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · beerde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · beerde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · beerde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · beerden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · beerden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)
Bron: Wiktionary