biˈdɔn
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘blikken veldfles’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912
- waterfles voor op de fiets
“De waterdrager deelde de door hem opgehaalde bidons uit aan zijn ploeggenoten.”
“Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken”
Vormenbidons(plural) · bidonnetje(diminutive, singular) · bidonnetjes(diminutive, plural)