ˈbɪŋɡo
HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hazardspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1968
- kansspel, waarbij elke speler een eigen formulier met rijen nummers heeft en hierop die nummers aftekent die door een spelleider willekeurig worden getrokken en omgeroepen, totdat een speler een complete rij afgetekende nummers heeft en "Bingo!" roept
“In het buurthuis wordt dit weekeind een bingo georganiseerd.”
- een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
- een uitroep bij het vinden van iets waar naar men op zoek was
“Jeroen zag als eerste waar ze zo koortsachtig naar zochten. 'Bingo,' zei hij koel. 'Helderrood polsbandje,' antwoordde Chantal.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bingoën
- form-ofgebiedende wijs van bingoën
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bingoën
Vormenbingo's(plural)