blas
HerkomstIn de betekenis van ‘urineblaas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof (hiermee wordt in het dagelijks spraakgebruik meestal de urineblaas bedoeld)
“Het kind had een volle blaas en moest heel nodig plassen.”
“Maar dit was zo’n bos waar alles na drie stappen op elkaar lijkt. Waar je vlug verdwaalt, als een logerend kind in een pikdonkere, vreemde slaapkamer. Eerst het klateren, de goddelijke opluchting van ”
“Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten. Er zat niks anders op dan in mijn drinkfles te plassen. Zo stil mogelijk ging ik rechtop in mijn s”
- met gas of vocht gevulde holte, een bel
“Bij waterpokken heb je veel jeukende blaasjes op de huid.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blazen
- form-ofgebiedende wijs van blazen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blazen
Vormenblazen(plural) · blaasje(diminutive, singular) · blaasjes(diminutive, plural)