blek
Herkomstbn erfwoord via Middelnederlands bleec van Oudnederlands bleike, in de betekenis van ‘wit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- gering van kleur
“Na die skivakantie hadden alle bleke gezichten weer kleur gekregen.”
- bloedeloos
“De zieke zag er heel bleek uit, want de bloeddoorstroming van de huid was minder geworden.”
“Haar gezicht werd zichtbaar bleker en de onzekerheid kreeg vaste grip op haar houding.”
“Haar huid is bijna doorschijnend bleek.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
- form-ofgebiedende wijs van bleken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
- form-ofenkelvoud verleden tijd van blijken
“Ik bleek.”
“Jij bleek.”
“Hij, zij, het bleek.”
- grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd
Vormenbleker(uninflected, comparative) · bleekst(uninflected, superlative) · bleke(inflected, positive) · blekere(inflected, comparative) · bleekste(inflected, superlative) · bleeks(partitive, positive) · blekers(partitive, comparative)