blot
OriginIn de betekenis van ‘naakt’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- zonder enige bedekking door kledij
“Ze bedekte haar blote armen toen ze het koud kreeg.”
“Hij wapperde de dunne stof een paar maal op en neer zodat er wat lucht om zijn blote bast circuleerde.”
- waar geen handeling aan te pas komt
“De tijd en de naburigheid zijn voorbeelden van blote rechtsfeiten.”
- blote voeten: zonder kousen en schoenen, zeer eenvoudig
“In China had men blote voeten dokters.”
- zonder bedekking
“Zijn vrouw glimlachte haar gebit bloot.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van bloten
- form-ofgebiedende wijs van bloten
Formsbloter(uninflected, comparative) · blootst(uninflected, superlative) · blote(inflected, positive) · blotere(inflected, comparative) · blootste(inflected, superlative) · bloots(partitive, positive) · bloters(partitive, comparative)