ˈbodəm
OriginIn de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
- een onderkant
“De bodem van de emmer is lek.”
“Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ”
- de grond
“De bodem raakte hierdoor verontreinigd.”
“Dat zegt ook kennisinstituut Deltares, dat in Nederland een grote rol heeft in het onderzoek naar de bodem en water. "Deltares heeft een sterke relatie met de VU. We delen kennis, studenten studeren b”
- een schip
“In de haven lag een vloot van meer dan dertig Engelse bodems.”
- de grond die normaliter de water bedekt is
“Het schip ligt op de bodem van de rivier.”
“Het was raar te merken dat ik tijdens het zwemmen hoogtevrees had: het water was zo helder dat ik de bodem 15 meter onder me duidelijk kon zien.”
“Die bezwering was een van de redenen dat hij liever in een eenvoudig ongeverfd houten huis bij de bouw was gaan wonen dan bij de andere ingenieurs in het Centralhotellet in Kramfors, hij wilde in de b”
- het meest fundamentele van iets
“Advocaat Van Tilborg wist zich duidelijk geen raad met deze constatering en zei dat deze zaak in een andere procedure tot de bodem moet worden uitgezocht.”
- het begin, de basis van waaruit men verder kan werken
“Dat had de bodem gelegd voor de welstand, om niet te zeggen overvloed, van de voltallige familie voor de nabije toekomst.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bodemen
- form-ofgebiedende wijs van bodemen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bodemen
Formsbodems(plural) · bodempje(diminutive, singular) · bodempjes(diminutive, plural)