/ˈbɔŋgo/
HerkomstLeenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘slaginstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1956
- dubbele met de hand bespeelde trommel oorspronkelijk uit Cuba
“De muzikant trommelde heftig op zijn bongo.”
“De Britse Beth Orton (45) musiceert in de luwte; Orton maakte zeven albums in 23 jaar. Ooit zong ze eenvoudige folk-achtige liedje bij haar akoestische gitaar, maar op het nieuwe Kidsticks koos Orton ”
- Tragelaphus eurycerus een Afrikaanse antilope uit de familie der holhoornigen (Bovidae)
“De muzikant trommelde heftig op zijn bongo.”
“De Britse Beth Orton (45) musiceert in de luwte; Orton maakte zeven albums in 23 jaar. Ooit zong ze eenvoudige folk-achtige liedje bij haar akoestische gitaar, maar op het nieuwe Kidsticks koos Orton ”
- linguistics, no-pluralCentraal-Soedanese taal gesproken door 10 duizend mensen in Zuid-Soedan
Vormenbongo's(plural) · bongootje(diminutive, singular) · bongootjes(diminutive, plural)