/bonəs/
OriginLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitkering’ voor het eerst aangetroffen in 1912
- een extraatje, meestal als beloning
“Managers krijgen vaak een bonus (heeft echter weinig te maken met 'goed') maar nooit een malus (hoewel daar nu juist vaak een reden voor is)!”
“de tijdgeest: iedere 'topman' van een kauwgomballenfabriek geeft zichzelf ieder jaar een bonus van minstens 3 miljoen euro”
“Er is geen duidelijke relatie tussen de prestaties van een beursgenoteerd bedrijf en het toekennen aan bonussen aan bestuursleden.”
Formsbonussen(plural) · boni(plural) · bonusje(diminutive, singular) · bonusjes(diminutive, plural)