HerkomstIn de betekenis van ‘een gat maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- transitivemet een werktuig dat om zijn as draait een rond gat in iets maken
“Hij boorde een gat in de muur om er een schilderijtje te kunnen ophangen.”
“Shell boort naar olie en gas.”
“Normaal gesproken was dat geen enkel probleem geweest, ze gebruikten een eenvoudige en beproefde techniek met platen en bouten voor de samenvoeging. Maar met bevroren stammen ging het meteen mis als j”
- figurativelyiets of iemand strak aankijken
“Haar blik boorde zich in de ogen van Jeroen.”
“Van het ene op het andere moment boorden de staalblauwe ogen van Steiner zich in Jeroens blik.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord boor
Vormenboorde(past) · geboord(past, participle) · te boren(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen boren(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen boren(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geboord(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geboord(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geboord zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geboord te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · borend(imperfect, participle) · ev.
boor(imperative) · bore(subjunctive) · boor(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · boort(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · boort(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · boorde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · boorde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · boorde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · boorden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · boorden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)