ˈbozə(n)
HerkomstBoze en met de oude uitgang voor de bezitsvorm -en
- Satans, Duivels
“(…) hij smeekt Maria om bescherming tegen de macht des Bozen, om voorspraak bij haar Zoon, opdat de arme zondaar na dit leven niet de prooi worde van de Satan, (…)”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord boze