OriginIn de betekenis van ‘onbebouwd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562
- een bewerking van vlas of hennep waarbij de houtachtige lemen van de vlas- of hennepstengels gebroken worden
“Met de braak worden de hennepstengels gebroken zodat houtpijp en vezel worden gescheiden.”
- een houten toestel bedoeld voor 1
“Een braak bestaat uit twee planken voorzien van balkjes die in elkaar vallen.”
- een stuk braakliggend land
- een om de hals van een schutterskoning gehangen versiering
- het breken of stukmaken van iets (bijv. van een dijk) (ook )
- het ongeoorloofd verbreken van een verzegeling of vergrendeling
- ~ liggen niet langer bebouwd worden voor landbouwdoeleinden
“Het is goed voor uitgeputte grond om een jaar braak te liggen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
- form-ofgebiedende wijs van braken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
Formsbraken(plural) · braakje(diminutive, singular) · braakjes(diminutive, plural)