bram
Herkomst[1], [2]: erfwoord via Middelnederlands brame van Oudnederlands brama, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1240 en al in de 11e eeuw als (deel van) plaatsnamen
- Rubus, braamstruik
- Rubus, zwarte vrucht van de braamstruik
“Bramen zijn zwart van kleur, braambozen zijn zoeter en roder.”
- ruwe, ongelijke rand aan een van een metalen voorwerp, die eigenlijk glad hoort te zijn
“Hij heeft de wedstrijd verloren omdat er een braam op zijn schaats zat.”
- masculinebepaald soort Europese zoetwatervis Abramis brama
- masculinebenaming voor zeevissen uit de familie Bramidae
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bramen
- form-ofgebiedende wijs van bramen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bramen
Vormenbramen(plural) · braampje(diminutive, singular) · braampjes(diminutive, plural)