/bris/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘koele wind’ voor het eerst aangetroffen in 1596
- zachte frisse wind
“Er was een heerlijk verkoelend briesje dat kwam van zee.”
“‘s Lands grootste doordeweekse wielertoertocht werd onder prima weersomstandigheden verreden, al stelde de stevige bries de conditie van menig deelnemer behoorlijk op de proef.”
“Het enige wat u moet weten, is dat de openslaande deuren naar het terras niet goed sluiten. In het geval dat er een stevige bries staat, zou ik u suggereren een stoel tegen de deuren aan te plaatsen.”
- verbond
- besnijdenis
- verbond
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van briesen
- form-ofgebiedende wijs van briesen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van briesen
Vormenbriezen(singular) · briesje(diminutive) · briesjes(diminutive, singular) · briesen(singular) · briesen(plural)