/brɪts/
HerkomstAfgeleid van Brit met het achtervoegsel -s
- gerelateerd aan Groot-Brittannië, afkomstig uit Groot-Brittannië
“Dat is een Britse organisatie.”
“Hij was een bescheiden Britse kostschooljongen met een keurig Engels accent die, eenmaal op het podium, in een echte entertainer veranderde en als een kleine Mark Knopfler een weergaloze gitaarsolo ne”
- linguistics, no-pluralde P-Keltische taal die de voorganger van het Welsh, Cornisch, Bretons en Cumbrisch was
“Het Brits heeft bitter weinig op schrift nagelaten en is daarmee een gereconstrueerde taal die geen ISO 639-3-code heeft.”
- een provisorisch bed, een houten veldbed
“… ik lag al naakt op een brits in de ziekenbarak.”
- een houten vlonder als slaapplaats van wachtsoldaten
“De soldaten die niet op wacht staan mogen uitrusten op de brits in het wachtlokaal.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van britsen
- form-ofgebiedende wijs van britsen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van britsen
VormenBritser(uninflected, comparative) · Britst(uninflected, superlative) · Britse(inflected, positive) · Britsere(inflected, comparative) · Britste(inflected, superlative) · Britsers(partitive, comparative) · britsen(plural) · britsje(diminutive, singular) · britsjes(diminutive, plural)