bruk
OriginVerwant met Keltisch braca en Latijn brāca, dat in het Latijn aan het Keltisch moet zijn ontleend. Protogermaans: *brāks. Verwant met o.a. Engels bracket en Frans brague, braguette. Onduidelijk is of het woord een Keltische oorsprong heeft of een Germaanse; de betekenis zou in dat laatste geval oorspronkelijk "achterwerk/schaamstreek" zijn.
- kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
“Ook bij de elegante, wijde pantalons met korte jasjes die de afgelopen week voortdurend voorbij kwamen op de catwalks in Milaan en Parijs - het moet raar lopen, wil de broek met rechte, wijde pijpen g”
“Het water werd langzaam bruin en mijn kleren weer schoon. Ik wrong alles uit en hing mijn druipende shirt, sokken en broek op het balkon.”
“Een wijde zwarte broek die onder het lopen opbolde als een matrozenbroek.”
- de vederen die de onderbuik en het halve loopbeen bedekken en in rust vaak de hele poot
- een drassig/moerassig gebied
“Vanaf Asten liep vroeger een voetpad door het broek van Asten, Ommel en Vlierden richting Brouwhuis en Helmond.”
Formsbroeken(plural) · broekje(diminutive, singular) · broekjes(diminutive, plural)