/brœy̯t/
HerkomstIn de betekenis van ‘verloofde’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
- een vrouw die in het huwelijk treedt
“Ze was een stralende bruid op die prachtige dag.”
“Ze bekijkt Nella met een kille glimlach en laat haar blauwe ogen over de jonge bruid dwalen.”
“De kersverse bruid bracht haar huwelijksnacht door in het bed dat ze al jaren met Arabella deelde, met haar voeten naar het hoofdeinde van haar woelende zusje gericht.”
Vormenbruiden(plural) · bruidje(diminutive, singular) · bruidjes(diminutive, plural)