ˈkasʏs
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geval’ voor het eerst aangetroffen in 1621
- een naamval
“De Duitse zwakke flexie drukt namelijk nog een casus- en getalsonderscheid uit, al is het aantal distincties dat door de zwakke flexie wordt uitgedrukt aanzienlijk lager dan in de sterke flexie.”
- een of meer concrete voorbeelden van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
“Hoewel de casus fictief is, zijn de situaties zo veel mogelijk gebaseerd op de realiteit.”
Vormencasussen(plural) · casusje(diminutive, singular) · casusjes(diminutive, plural)