ˈsedər, /ˈsedər/, /ˈsedər/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘naaldboom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
- benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus dat behoort tot de dennenfamilie
“Ceders hebben een bast die bestaat uit dikke ribbels of vierkante richels en wijduitstaande, rechte takken.”
Vormenceders(plural) · cedertje(diminutive, singular) · cedertjes(diminutive, plural)