- een controlerende actie
“Doe voor de zekerheid nog een check met recente antivirussoftware.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
- form-ofgebiedende wijs van checken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
“Check je?”
“Maar ik dacht ik check toch even bij jou.”
“Ik check mijn telefoon en zie dat ik nog drie kwartier heb voordat ik aan het ontbijt word verwacht.”
Vormenchecks(plural) · checkje(diminutive, singular) · checkjes(diminutive, plural)