klem
HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vordering’ voor het eerst aangetroffen in 1886
- aanspraak op vergoeding van schade
“De gemeente acht zich niet schuldig en wijst claims af.”
“Een gast verliezen was één, dood door schuld of nalatigheid van het personeel iets compleet anders. Dan konden er in het ergste geval claims komen.”
“‘Stomtoevallig’ kwamen beide Sanderink-ondernemingen enkele weken geleden tegelijkertijd op het idee om hun claims zeker te stellen. Dat deden ze door gezamenlijk beslag te leggen op 1,96 miljoen euro”
- recht op bepaald stuk grond
“Het land houdt vast aan zijn claim op het eiland.”
- beweren dat een bepaalde stelling waar is
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van claimen
- form-ofgebiedende wijs van claimen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van claimen
Vormenclaims(plural) · claimpje(diminutive, singular) · claimpjes(diminutive, plural)