klɑun, /klʌːun/, /kloːn/
HerkomstLeenwoord uit het Engels. In de betekenis van ‘grappenmaker’ voor het eerst aangetroffen in 1847
- komische wit geschminkte artiest, oorspronkelijk uit het circus
“De clown trad op tot aan zijn dood.”
“Natuurlijk mag een clown in het circus niet ontbreken.”
“Vooral onder jongere kinderen is de clown meestal erg geliefd vanwege zijn komische voorkomen.”
- figurativelybespottelijk, belachelijk iemand
“‘Soms denk ik over Memphis: wat een clown, maar hij kan niet anders’.”
Vormenclowns(plural) · clowntje(diminutive, singular) · clowntjes(diminutive, plural)