HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omhulsel van rupsen’ voor het eerst aangetroffen in 1872
- Verpakking van poppen, de overgangsvorm tussen larve en volwassen insect.
“Zijde wordt gemaakt van de cocon van de zijdevlinder”
- figurativelyiets dat zeer nauw om iets anders heen sluit
“Om te proberen wat warmer te worden pakte ik het grondzeil van mijn tent en wikkelde dit een paar keer als een cocon om mijn slaapzak heen.”
- figurativelyiets waarmee men zich probeert in te dekken
“Een cocon van ontkenning.”
Vormencocons(plural) · coconnetje(diminutive, singular) · coconnetjes(diminutive, plural)