HerkomstLeenwoord uit het Engels, voor de verdere etymologie zie aldaar. In de betekenis van ‘krach, ongeval’ voor het eerst aangetroffen in 1936
- een ernstig verkeersongeluk
- een ineenstorting van de aandelenmarkt op de beurs
- het onbruikbaar worden van een computer, besturingssysteem of applicatie
- een ineenstorting van een systeem
“Het werd echter meer en meer duidelijk dat deze politiek een trein zonder remmen bleek die maar doordenderde. Een crash was onvermijdelijk.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crashen
- form-ofgebiedende wijs van crashen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crashen
Vormencrashes(plural) · crashje(diminutive, singular) · crashjes(diminutive, plural)