ˈdadəl
Originvia Middelnederlands dade / dattel van Oudfrans dade, in de betekenis van ‘vrucht van dadelpalm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
- zoete bruine vrucht van de dadelpalm, Phoenix dactylifera
“Alleen al het inkopen doen voor de kerstmaaltijd. En het je herinneren hoe het zat met dadels en speculaas, het dopen van stukjes brood in hambouillon, varkenspootjes, stokvis met piment en witte saus”
Formsdadels(plural) · dadeltje(diminutive, singular) · dadeltjes(diminutive, plural)