ˈdadər
HerkomstIn de betekenis van ‘bedrijver’ voor het eerst aangetroffen in 1644
- iemand die iets (slechts) gedaan heeft
“Vervolgens laat men wel even de dader naar het bureau komen om met hem te praten.”
“Ze voelde zich gelijktijdig slachtoffer en dader.”
“Zolang het binnen de fatsoensnormen bleef, lachte hij vriendelijk maar bescheiden met de daders mee.”
Vormendaders(plural) · dadertje(diminutive, singular) · dadertjes(diminutive, plural)