ˈdalə(n)
HerkomstIn de betekenis van ‘omlaag gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1285
- ergativenaar beneden gaan
“Het waterpeil is enigszins gedaald.”
“Na anderhalf uur voornamelijk vooraan te hebben gelopen, kom ik langzamerhand in wat wij wandelaars een wandelaarstrance noemen: ik heb de juiste cadans gevonden en het lopen, klimmen en dalen gaat ac”
“Chantal ademde een paar maal diep in door haar neus en blies krachtig door haar mond uit. Terwijl ze dit deed, daalden haar mondhoeken en wenkbrauwen.”
- ergativeminder waard worden
“De prijs van de aandelen is gedaald.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord dal
“Op hun tocht langs diepe dalen werden zij door boordcamera's gefilmd, waarbij vooral hun ontzette uitingen van agonie voor de kijkers thuis hilarisch overkwamen.”
Vormendaalde(past) · gedaald(past, participle) · te dalen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen dalen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen dalen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · zijn gedaald(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te zijn gedaald(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gedaald zullen zijn(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gedaald te zullen zijn(active, infinitive, perfect, future, long-form) · dalend(imperfect, participle) · ev.
daal(imperative) · dale(subjunctive) · daal(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · daalt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · daalt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · daalde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · daalde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · daalde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · daalden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · daalden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)