ˈdatʏm
OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘dagtekening’ voor het eerst aangetroffen in 1297
- een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
“De datum waarop de brief geschreven was is 11-04-1933.”
“De ISO-8601 notering van de datum 28 juli 2016 is 2016-07-28 of 2016-W30-4”
“Peg zou Peggy Guggenheim kunnen zijn, R kon Robles zijn; de datum klopte, en het telegram was naar Malaga gestuurd, waar Robles volgens Reede had gewoond.”
- gegeven
Formsdata, datums(plural) · datumpje(diminutive, singular) · datumpjes(diminutive, plural)