ˈdelə(n)
Originww: erfwoord via Middelnederlands delen van Oudnederlands delon, in de betekenis van ‘verdelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- transitivesamen met een ander gebruiken
“We delen een kamer.”
“Wij deelden alle fooien eerlijk onder elkaar.”
“Eerlijk zullen we alles delen.”
- transitivehet verstrekken van informatie (in de ruime zin van het woord) aan een of meer anderen, of het publiceren ervan, of als het online staat, het attent erop maken en gemakkelijk toegankelijk maken door het verstrekken van een link
“Hij deelde zijn gevoelens alleen maar met zijn vrouw.”
“Via sociale media delen mensen verhalen, kennis en ervaringen.”
“Je kan je locatie delen met andere gebruikers van deze app.”
- transitivein meer dan één stuk snijden of hakken
“Het stuk koek werd gedeeld.”
- transitiverekenkundige bewerking: het aantal bepalen dat een getal (het deeltal) groter is dan een ander getal (de deler)
“Hoeveel is 12 gedeeld door 3 ?”
- ~ in: een aandeel krijgen in
“Alle medewerkers delen in de winst van het bedrijf.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord deel
- gezaagde houten planken
“Een houten vloer van vurenhouten delen.”
- gelijksoortige stukken (bestanddelen, afdelingen enz.) van een geheel (de stukken kunnen verschillen in grootte maar zijn gelijk van samenstelling)
“De vaas is in drie delen gevallen.”
- onderdelen, waarbij verschillen in functie of samenstelling buiten beschouwing zijn gelaten
“In grote delen van de krijgsmacht heerst onrust, vooral bij de (het onderdeel) marine.”
Formsdeelde(past) · gedeeld(past, participle) · te delen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen delen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen delen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gedeeld(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gedeeld(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gedeeld zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gedeeld te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · delend(imperfect, participle) · ev.
deel(imperative) · dele(subjunctive) · deel(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · deelt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · deelt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · deelde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · deelde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · deelde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · deelden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · deelden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)