/ˈdɛrdə/
Originafgeleid van drie met het achtervoegsel -de
- door drie gedeeld iets
“Een derde van de stedelijke wereldbevolking woont in sloppenwijken.”
- nummer drie in een rij
“De derde die belt maakt kans op 200 euro, waag je kans!”
“Als je op de derde plaats komt in een wedstrijd krijg je een bronzen medaille.”
“Lot gaat nu opeens ook in de derde persoon over zichzelf praten en daar moet Lot heel snel mee ophouden, want dat is natuurlijk pas echt een teken van gekte.”
- onbetrokken partij
“De mening van derden moet worden ingeroepen om volledig objectief te zijn.”
“De schade en het verdriet die ze daarmee aan derden bezorgde waren compleet ondergeschikt.”
- betrekking hebbend op nummer drie in een rij
“De derde wereldoorlog bleef gelukkig uit.”
Formsderdes(singular) · derden(singular)