/ˈdezər/
- feminine, obsoletegenitief en datief van deze
“En zal het u niet grootelijks verkorten in naam en eere, dat gij, zulk eene treffelijke en bevoorrechte dochter van Pallas, de spere der kracht en der kennis richt tegen de borst dezer uitnemende moed”
- pluralgenitief van deze
“Hij zal daar een dezer dagen wel naar terugkeren.”
“Een dezer dagen zouden ze langskomen, had hij op enthousiaste toon gemeld.”
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0